
Jurisprudentie
BA1160
Datum uitspraak2007-03-21
Datum gepubliceerd2007-03-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200607237/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-03-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200607237/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 20 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zijpe (hierna: het college) een verzoek van appellant om een gedenkteken bij de voormalige veevoederfabriek op of aan de openbare weg in Sint Maartensbrug te mogen plaatsen afgewezen.
Uitspraak
200607237/1.
Datum uitspraak: 21 maart 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats], [gemeente],
tegen de uitspraak in zaak no. BESLU 05/2808 van de rechtbank Alkmaar van 15 september 2006 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Zijpe.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zijpe (hierna: het college) een verzoek van appellant om een gedenkteken bij de voormalige veevoederfabriek op of aan de openbare weg in Sint Maartensbrug te mogen plaatsen afgewezen.
Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 15 september 2006, verzonden op 18 september 2006, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door hem ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 6 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2007, waar appellant in persoon is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het besluit van 20 april 2005 is op 28 april 2005 verzonden, zodat de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde termijn om daartegen bezwaar te kunnen maken op 9 juni 2005 is geëindigd. Het bezwaarschrift is op 13 juni 2005 op het gemeentehuis ontvangen.
2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de overschrijding van de termijn ten onrechte niet verschoonbaar in de zin van artikel 6:11 van de Awb heeft geacht, nu deze te wijten was aan het feit dat de door hem ingeschakelde jurist, die het bezwaarschrift zou lezen en beoordelen, juist toen de termijn aan het verstrijken was met vakantie was.
2.3. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college de gevolgen van de gestelde afwezigheid van de door appellant ingeschakelde deskundige terecht voor diens rekening heeft gelaten, door geen verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in verband daarmee aan te nemen.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. De Leeuw-van Zanten
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007
97-546

